vastzetten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vastzetten

The word "vastzetten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vastzetten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vastzettend
Past participle - Verleden deelwoord: vastgezet

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzet vast
jijzet vast
hijzet vast
wijzetten vast
julliezetten vast
zijzetten vast

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vastgezet
jijhebt vastgezet
hijheeft vastgezet
wijhebben vastgezet
julliehebben vastgezet
zijhebben vastgezet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzette vast
jijzette vast
hijzette vast
wijzetten vast
julliezetten vast
zijzetten vast

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vastgezet
jijhad vastgezet
hijhad vastgezet
wijhadden vastgezet
julliehadden vastgezet
zijhadden vastgezet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vastzetten
jijzult vastzetten
hijzal vastzetten
wijzullen vastzetten
julliezullen vastzetten
zijzullen vastzetten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vastgezet hebben
jijzult vastgezet hebben
hijzal vastgezet hebben
wijzullen vastgezet hebben
julliezullen vastgezet hebben
zijzullen vastgezet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vastzetten
jijzou vastzetten
hijzou vastzetten
wijzouden vastzetten
julliezouden vastzetten
zijzouden vastzetten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vastgezet hebben
jijzou vastgezet hebben
hijzou vastgezet hebben
wijzouden vastgezet hebben
julliezouden vastgezet hebben
zijzouden vastgezet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzet vast

Verbs similar to 'vastzetten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From vast + zetten.

Additional Information