bijleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bijleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bijleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bijlerend
Past participle - Verleden deelwoord: bijgeleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleer bij
jijleert bij
hijleert bij
wijleren bij
jullieleren bij
zijleren bij

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bijgeleerd
jijhebt bijgeleerd
hijheeft bijgeleerd
wijhebben bijgeleerd
julliehebben bijgeleerd
zijhebben bijgeleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleerde bij
jijleerde bij
hijleerde bij
wijleerden bij
jullieleerden bij
zijleerden bij

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bijgeleerd
jijhad bijgeleerd
hijhad bijgeleerd
wijhadden bijgeleerd
julliehadden bijgeleerd
zijhadden bijgeleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bijleren
jijzult bijleren
hijzal bijleren
wijzullen bijleren
julliezullen bijleren
zijzullen bijleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bijgeleerd hebben
jijzult bijgeleerd hebben
hijzal bijgeleerd hebben
wijzullen bijgeleerd hebben
julliezullen bijgeleerd hebben
zijzullen bijgeleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bijleren
jijzou bijleren
hijzou bijleren
wijzouden bijleren
julliezouden bijleren
zijzouden bijleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bijgeleerd hebben
jijzou bijgeleerd hebben
hijzou bijgeleerd hebben
wijzouden bijgeleerd hebben
julliezouden bijgeleerd hebben
zijzouden bijgeleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleer bij

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From bij + leren.

Additional Information