roken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of roken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: roken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rokend
Past participle - Verleden deelwoord: gerookt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrook
jijrookt
hijrookt
wijroken
jullieroken
zijroken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerookt
jijhebt gerookt
hijheeft gerookt
wijhebben gerookt
julliehebben gerookt
zijhebben gerookt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrookte
jijrookte
hijrookte
wijrookten
jullierookten
zijrookten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerookt
jijhad gerookt
hijhad gerookt
wijhadden gerookt
julliehadden gerookt
zijhadden gerookt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal roken
jijzult roken
hijzal roken
wijzullen roken
julliezullen roken
zijzullen roken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerookt hebben
jijzult gerookt hebben
hijzal gerookt hebben
wijzullen gerookt hebben
julliezullen gerookt hebben
zijzullen gerookt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou roken
jijzou roken
hijzou roken
wijzouden roken
julliezouden roken
zijzouden roken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerookt hebben
jijzou gerookt hebben
hijzou gerookt hebben
wijzouden gerookt hebben
julliezouden gerookt hebben
zijzouden gerookt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrook

Verbs similar to 'roken'

koken, raken, roven, bomen, breken, doden, doeken, doen, dogen, dokken,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

dampen
walmen

Sample Sentences

  • [...] goed waren. Dezen avond nam ik weder dat geneesmiddel in, dat naar ik meende mij den vorigen keer goed gedaan had, namelijk tabak in rum gelegd, maar minder sterk dan de vorige reis, ook kaauwde of rookte ik ze niet. Echter was ik den volgenden dag, den 1 Julij, zoo goed niet als ik gehoopt had, want ik had eene koortsige huivering, schoon niet veel. (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch rôken. Equivalent to rook + -en.

Verbs referencing "roken"

Afrikaans rook, Low Saxon röken.

Additional Information