doeken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doeken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doeken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doekend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoekt

Cognates

See the 2 cognates of doeken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoek
jijdoekt
hijdoekt
wijdoeken
julliedoeken
zijdoeken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoekt
jijhebt gedoekt
hijheeft gedoekt
wijhebben gedoekt
julliehebben gedoekt
zijhebben gedoekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoekte
jijdoekte
hijdoekte
wijdoekten
julliedoekten
zijdoekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoekt
jijhad gedoekt
hijhad gedoekt
wijhadden gedoekt
julliehadden gedoekt
zijhadden gedoekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doeken
jijzult doeken
hijzal doeken
wijzullen doeken
julliezullen doeken
zijzullen doeken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoekt hebben
jijzult gedoekt hebben
hijzal gedoekt hebben
wijzullen gedoekt hebben
julliezullen gedoekt hebben
zijzullen gedoekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doeken
jijzou doeken
hijzou doeken
wijzouden doeken
julliezouden doeken
zijzouden doeken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoekt hebben
jijzou gedoekt hebben
hijzou gedoekt hebben
wijzouden gedoekt hebben
julliezouden gedoekt hebben
zijzouden gedoekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoek

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch doeken, from Old Dutch *dōken, from Proto-West Germanic *dōkijan, equivalent to doek + -en.

Verbs referencing "doeken"

English deech.

Additional Information