inhouden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inhouden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inhouden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inhoudend
Past participle - Verleden deelwoord: ingehouden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoud in; hou in
jijhoudt in
hijhoudt in
wijhouden in
julliehouden in
zijhouden in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingehouden
jijhebt ingehouden
hijheeft ingehouden
wijhebben ingehouden
julliehebben ingehouden
zijhebben ingehouden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhield in
jijhield in
hijhield in
wijhielden in
julliehielden in
zijhielden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingehouden
jijhad ingehouden
hijhad ingehouden
wijhadden ingehouden
julliehadden ingehouden
zijhadden ingehouden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inhouden
jijzult inhouden
hijzal inhouden
wijzullen inhouden
julliezullen inhouden
zijzullen inhouden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingehouden hebben
jijzult ingehouden hebben
hijzal ingehouden hebben
wijzullen ingehouden hebben
julliezullen ingehouden hebben
zijzullen ingehouden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inhouden
jijzou inhouden
hijzou inhouden
wijzouden inhouden
julliezouden inhouden
zijzouden inhouden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingehouden hebben
jijzou ingehouden hebben
hijzou ingehouden hebben
wijzouden ingehouden hebben
julliezouden ingehouden hebben
zijzouden ingehouden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoud in; hou in

Translations

  • contain, To hold inside
  • imply, to have as a consequence
  • impound, to hold back
  • inhere, To be inherent; to be an essential or intrinsic part of; to be fixed or permanently incorporated with something
  • refrain, to hold back
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afhouden
    aftrekken, korten
    aftrekken
    afhouden, korten, minderen
    beduiden
    voorspellen
    bedwingen
    beheersen, intomen
    beheersen
    bedwingen
    behelzen
    bevatten, omvatten
    beknibbelen
    besparen, bezuinigen, korten, uitsparen
    besluiten
    behelzen, omvatten
    bestaan
    omvatten
    bevatten
    behelzen, omvatten
    impliceren
    betekenen
    korten
    aftrekken
    matigen
    beperken, intomen, temperen
    meebrengen
    eisen, verlangen
    omvatten
    behelzen, bevatten
    opkroppen
    onderdrukken
    verbijten
    onderdrukken
    voorstellen
    betekenen, verbeelden
    zeggen
    beduiden, betekenen, bewijzen

    Antonyms

    aftrekken
    optellen

    Sample Sentences

    • [...] en ik gevoelde, dat ik met ontzettend geweld en snelheid naar het strand werd gedreven. Ik hield den adem in, en trachtte zoo veel ik kon vooruit te komen. Ik kon eindelijk niet langer den adem inhouden, toen ik gevoelde dat ik oprees, en mijn hoofd en handen boven het water uitkwamen. Dit duurde geen twee sekonden, maar gaf mij den tijd adem te halen. Wederom werd ik door het water overstelpt, [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From in + houden.

    Additional Information