bezighouden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bezighouden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bezighouden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezighoudend
Past participle - Verleden deelwoord: beziggehouden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoud bezig; hou bezig
jijhoudt bezig
hijhoudt bezig
wijhouden bezig
julliehouden bezig
zijhouden bezig

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beziggehouden
jijhebt beziggehouden
hijheeft beziggehouden
wijhebben beziggehouden
julliehebben beziggehouden
zijhebben beziggehouden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhield bezig
jijhield bezig
hijhield bezig
wijhielden bezig
julliehielden bezig
zijhielden bezig

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beziggehouden
jijhad beziggehouden
hijhad beziggehouden
wijhadden beziggehouden
julliehadden beziggehouden
zijhadden beziggehouden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bezighouden
jijzult bezighouden
hijzal bezighouden
wijzullen bezighouden
julliezullen bezighouden
zijzullen bezighouden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beziggehouden hebben
jijzult beziggehouden hebben
hijzal beziggehouden hebben
wijzullen beziggehouden hebben
julliezullen beziggehouden hebben
zijzullen beziggehouden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bezighouden
jijzou bezighouden
hijzou bezighouden
wijzouden bezighouden
julliezouden bezighouden
zijzouden bezighouden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beziggehouden hebben
jijzou beziggehouden hebben
hijzou beziggehouden hebben
wijzouden beziggehouden hebben
julliezouden beziggehouden hebben
zijzouden beziggehouden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoud bezig; hou bezig

Translations

  • absorb, to occupy fully
  • consume, occupy thoughts
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    amuseren
    entertainen, vermaken, verstrooien

    Sample Sentences

    • [...] verwekte zorgen, mij alle uitvindingen en alle ondernemingen, die ik tot mijn verder gemak bedacht had, deden staken. Ik werd thans meer door de zorg voor mijne veiligheid, dan voor mijn onderhoud, beziggehouden. Ik durfde geen spijker slaan, geen hout kappen, uit vrees, dat het geraas hiervan gehoord zou worden; veel minder durfde ik een geweer afschieten, en vooral baarde mijn vuur mij veel vrees. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From bezig + houden.

    Additional Information