afhouden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afhouden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afhouden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afhoudend
Past participle - Verleden deelwoord: afgehouden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoud af
jijhoudt af
hijhoudt af
wijhouden af
julliehouden af
zijhouden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgehouden
jijhebt afgehouden
hijheeft afgehouden
wijhebben afgehouden
julliehebben afgehouden
zijhebben afgehouden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhield af
jijhield af
hijhield af
wijhielden af
julliehielden af
zijhielden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgehouden
jijhad afgehouden
hijhad afgehouden
wijhadden afgehouden
julliehadden afgehouden
zijhadden afgehouden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afhouden
jijzult afhouden
hijzal afhouden
wijzullen afhouden
julliezullen afhouden
zijzullen afhouden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgehouden hebben
jijzult afgehouden hebben
hijzal afgehouden hebben
wijzullen afgehouden hebben
julliezullen afgehouden hebben
zijzullen afgehouden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afhouden
jijzou afhouden
hijzou afhouden
wijzouden afhouden
julliezouden afhouden
zijzouden afhouden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgehouden hebben
jijzou afgehouden hebben
hijzou afgehouden hebben
wijzouden afgehouden hebben
julliezouden afgehouden hebben
zijzouden afgehouden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoud af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

beletten
weerhouden
aftrekken
inhouden, korten

Antonyms

aftrekken
optellen

Sample Sentences

  • [...] was hij bij ons; maar daar hij door een misslag ons op zijde kwam, in plaats van achter onzen spiegel, bragten wij acht stukken aan die zijde en gaven hem daarmede de volle laag, die hem deed afhouden, na ons de laag en het klein geweervuur van tweehonderd man gegeven te hebben. Niemand was echter bij ons getroffen, daar al ons volk zich omlaag hield. Hij maakte zich tot een nieuwen aanval, en [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch afhouden. Equivalent to af + houden.

Additional Information