weerhouden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of weerhouden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: weerhouden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weerhoudend
Past participle - Verleden deelwoord: weerhouden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikweerhoud; weerhou
jijweerhoudt
hijweerhoudt
wijweerhouden
jullieweerhouden
zijweerhouden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb weerhouden
jijhebt weerhouden
hijheeft weerhouden
wijhebben weerhouden
julliehebben weerhouden
zijhebben weerhouden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikweerhield
jijweerhield
hijweerhield
wijweerhielden
jullieweerhielden
zijweerhielden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad weerhouden
jijhad weerhouden
hijhad weerhouden
wijhadden weerhouden
julliehadden weerhouden
zijhadden weerhouden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal weerhouden
jijzult weerhouden
hijzal weerhouden
wijzullen weerhouden
julliezullen weerhouden
zijzullen weerhouden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal weerhouden hebben
jijzult weerhouden hebben
hijzal weerhouden hebben
wijzullen weerhouden hebben
julliezullen weerhouden hebben
zijzullen weerhouden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou weerhouden
jijzou weerhouden
hijzou weerhouden
wijzouden weerhouden
julliezouden weerhouden
zijzouden weerhouden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou weerhouden hebben
jijzou weerhouden hebben
hijzou weerhouden hebben
wijzouden weerhouden hebben
julliezouden weerhouden hebben
zijzouden weerhouden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijweerhoud; weerhou

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afhouden
beletten

Sample Sentences

  • De angst en vrees van weder in de handen der Mooren te vallen, weerhield mij aan land te gaan of te ankeren, ik bleef vijf dagen lang met denzelfden wind voortzeilen; daar toen de wind zuidelijk liep, besloot ik, dat, zoo men mij nagejaagd had, de Mooren nu ook de jagt [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From weer- + houden.

Additional Information