besparen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of besparen

The word "besparen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: besparen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: besparend
Past participle - Verleden deelwoord: bespaard

Cognates

See the 2 cognates of besparen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbespaar
jijbespaart
hijbespaart
wijbesparen
julliebesparen
zijbesparen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bespaard
jijhebt bespaard
hijheeft bespaard
wijhebben bespaard
julliehebben bespaard
zijhebben bespaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbespaarde
jijbespaarde
hijbespaarde
wijbespaarden
julliebespaarden
zijbespaarden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bespaard
jijhad bespaard
hijhad bespaard
wijhadden bespaard
julliehadden bespaard
zijhadden bespaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal besparen
jijzult besparen
hijzal besparen
wijzullen besparen
julliezullen besparen
zijzullen besparen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bespaard hebben
jijzult bespaard hebben
hijzal bespaard hebben
wijzullen bespaard hebben
julliezullen bespaard hebben
zijzullen bespaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou besparen
jijzou besparen
hijzou besparen
wijzouden besparen
julliezouden besparen
zijzouden besparen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bespaard hebben
jijzou bespaard hebben
hijzou bespaard hebben
wijzouden bespaard hebben
julliezouden bespaard hebben
zijzouden bespaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbespaar

Verbs similar to 'besparen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch besparen. Equivalent to be- + sparen.

Verbs referencing "besparen"

Danish bespare, Frisian, Saterlandic bispoarje.

Additional Information