haten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of haten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: haten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hatend
Past participle - Verleden deelwoord: gehaat

Cognates

See the 6 cognates of haten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhaat
jijhaat
hijhaat
wijhaten
julliehaten
zijhaten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehaat
jijhebt gehaat
hijheeft gehaat
wijhebben gehaat
julliehebben gehaat
zijhebben gehaat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhaatte
jijhaatte
hijhaatte
wijhaatten
julliehaatten
zijhaatten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehaat
jijhad gehaat
hijhad gehaat
wijhadden gehaat
julliehadden gehaat
zijhadden gehaat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal haten
jijzult haten
hijzal haten
wijzullen haten
julliezullen haten
zijzullen haten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehaat hebben
jijzult gehaat hebben
hijzal gehaat hebben
wijzullen gehaat hebben
julliezullen gehaat hebben
zijzullen gehaat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou haten
jijzou haten
hijzou haten
wijzouden haten
julliezouden haten
zijzouden haten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehaat hebben
jijzou gehaat hebben
hijzou gehaat hebben
wijzouden gehaat hebben
julliezouden gehaat hebben
zijzouden gehaat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhaat

Verbs conjugated like 'haten'

aanpraten, baten, begroten, bepraten, haten, ompraten, praten, vergroten, zweten,

Verbs similar to 'haten'

baten, halen, heten, laten, aaien, baden, banen, dalen, eten, falen,

Translations

  • detest, to dislike intensely
  • hate, to dislike intensely
  • spite, to be angry at; to hate
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Welk een raadselachtig wezen is de mensch, en door welke bedekte springveren komen zijne hartstogten in werking ? Wat wij heden beminnen, zullen wij morgen haten; heden zoeken wij wat wij morgen zullen ontvlugten. Dit bleek thans ten duidelijkste aan mij. Mijne eenigste droefenis was, dat ik, als het ware, van alle menschelijke gezelschap verbannen was, ik [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch haten, from Old Dutch haton, from Proto-West Germanic *hatēn, from Proto-Germanic *hatāną. See: Old Dutch 'haton', Proto-Germanic '*hatāną'.

    Verbs referencing "haten"

    English hate, Esperanto hati, German, Pennsylvania hasse.

    Additional Information