ompraten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ompraten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ompraten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ompratend
Past participle - Verleden deelwoord: omgepraat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpraat om
jijpraat om
hijpraat om
wijpraten om
julliepraten om
zijpraten om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgepraat
jijhebt omgepraat
hijheeft omgepraat
wijhebben omgepraat
julliehebben omgepraat
zijhebben omgepraat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpraatte om
jijpraatte om
hijpraatte om
wijpraatten om
julliepraatten om
zijpraatten om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgepraat
jijhad omgepraat
hijhad omgepraat
wijhadden omgepraat
julliehadden omgepraat
zijhadden omgepraat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ompraten
jijzult ompraten
hijzal ompraten
wijzullen ompraten
julliezullen ompraten
zijzullen ompraten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgepraat hebben
jijzult omgepraat hebben
hijzal omgepraat hebben
wijzullen omgepraat hebben
julliezullen omgepraat hebben
zijzullen omgepraat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ompraten
jijzou ompraten
hijzou ompraten
wijzouden ompraten
julliezouden ompraten
zijzouden ompraten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgepraat hebben
jijzou omgepraat hebben
hijzou omgepraat hebben
wijzouden omgepraat hebben
julliezouden omgepraat hebben
zijzouden omgepraat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpraat om

Verbs conjugated like 'ompraten'

aanpraten, baten, begroten, bepraten, haten, ompraten, praten, vergroten, zweten,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of om + praten.

Additional Information