aaien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aaien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aaiend
Past participle - Verleden deelwoord: geaaid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaai
jijaait
hijaait
wijaaien
jullieaaien
zijaaien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaaid
jijhebt geaaid
hijheeft geaaid
wijhebben geaaid
julliehebben geaaid
zijhebben geaaid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaaide
jijaaide
hijaaide
wijaaiden
jullieaaiden
zijaaiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaaid
jijhad geaaid
hijhad geaaid
wijhadden geaaid
julliehadden geaaid
zijhadden geaaid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aaien
jijzult aaien
hijzal aaien
wijzullen aaien
julliezullen aaien
zijzullen aaien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaaid hebben
jijzult geaaid hebben
hijzal geaaid hebben
wijzullen geaaid hebben
julliezullen geaaid hebben
zijzullen geaaid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aaien
jijzou aaien
hijzou aaien
wijzouden aaien
julliezouden aaien
zijzouden aaien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaaid hebben
jijzou geaaid hebben
hijzou geaaid hebben
wijzouden geaaid hebben
julliezouden geaaid hebben
zijzouden geaaid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaai

Translations

  • pet, fondle (an animal)
  • pet, fondle (another person) amorously
  • stroke, to move one's hand or an object over the surface of
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    liefkozen
    strelen

    Sample Sentences

    Etymology

    Unknown.

    Additional Information