banen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of banen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: banen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: banend
Past participle - Verleden deelwoord: gebaand

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbaan
jijbaant
hijbaant
wijbanen
julliebanen
zijbanen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebaand
jijhebt gebaand
hijheeft gebaand
wijhebben gebaand
julliehebben gebaand
zijhebben gebaand

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbaande
jijbaande
hijbaande
wijbaanden
julliebaanden
zijbaanden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebaand
jijhad gebaand
hijhad gebaand
wijhadden gebaand
julliehadden gebaand
zijhadden gebaand

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal banen
jijzult banen
hijzal banen
wijzullen banen
julliezullen banen
zijzullen banen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebaand hebben
jijzult gebaand hebben
hijzal gebaand hebben
wijzullen gebaand hebben
julliezullen gebaand hebben
zijzullen gebaand hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou banen
jijzou banen
hijzou banen
wijzouden banen
julliezouden banen
zijzouden banen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebaand hebben
jijzou gebaand hebben
hijzou gebaand hebben
wijzouden gebaand hebben
julliezouden gebaand hebben
zijzouden gebaand hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbaan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij baande een weg door het gras. (He cleared a path through the grass.)

Etymology

From Middle Dutch banen. Equivalent to baan + -en.

Additional Information