begroten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of begroten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: begroten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: begrotend
Past participle - Verleden deelwoord: begroot

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbegroot
jijbegroot
hijbegroot
wijbegroten
julliebegroten
zijbegroten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb begroot
jijhebt begroot
hijheeft begroot
wijhebben begroot
julliehebben begroot
zijhebben begroot

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbegrootte
jijbegrootte
hijbegrootte
wijbegrootten
julliebegrootten
zijbegrootten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad begroot
jijhad begroot
hijhad begroot
wijhadden begroot
julliehadden begroot
zijhadden begroot

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal begroten
jijzult begroten
hijzal begroten
wijzullen begroten
julliezullen begroten
zijzullen begroten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal begroot hebben
jijzult begroot hebben
hijzal begroot hebben
wijzullen begroot hebben
julliezullen begroot hebben
zijzullen begroot hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou begroten
jijzou begroten
hijzou begroten
wijzouden begroten
julliezouden begroten
zijzouden begroten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou begroot hebben
jijzou begroot hebben
hijzou begroot hebben
wijzouden begroot hebben
julliezouden begroot hebben
zijzouden begroot hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbegroot

Verbs conjugated like 'begroten'

aanpraten, baten, begroten, bepraten, haten, ompraten, praten, vergroten, zweten,

Translations

  • budget, allow for in a budget
  • budget, plan for the use of in a budget
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    becijferen
    berekenen, ramen, schatten

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch begroten. Equivalent to groot + be- -en.

    Additional Information