brommen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of brommen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: brommen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: brommend
Past participle - Verleden deelwoord: gebromd

Cognates

See the 3 cognates of brommen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbrom
jijbromt
hijbromt
wijbrommen
julliebrommen
zijbrommen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebromd
jijhebt gebromd
hijheeft gebromd
wijhebben gebromd
julliehebben gebromd
zijhebben gebromd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbromde
jijbromde
hijbromde
wijbromden
julliebromden
zijbromden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebromd
jijhad gebromd
hijhad gebromd
wijhadden gebromd
julliehadden gebromd
zijhadden gebromd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal brommen
jijzult brommen
hijzal brommen
wijzullen brommen
julliezullen brommen
zijzullen brommen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebromd hebben
jijzult gebromd hebben
hijzal gebromd hebben
wijzullen gebromd hebben
julliezullen gebromd hebben
zijzullen gebromd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou brommen
jijzou brommen
hijzou brommen
wijzouden brommen
julliezouden brommen
zijzouden brommen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebromd hebben
jijzou gebromd hebben
hijzou gebromd hebben
wijzouden gebromd hebben
julliezouden gebromd hebben
zijzouden gebromd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbrom

Translations

  • hum, to make sound with lips closed
  • whirr, To move or vibrate (something) with a buzzing sound
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    gonzen
    grommen
    knorren
    mopperen

    Sample Sentences

    • Achter in de kroeg zat een groep mannen te brommen. (A group of men were mumbling in the back of the pub.)
    • Er bromde iets in de kelder. (Something was buzzing in the basement.)
    • De man bromde iets onverstaanbaars. (The man grumbled something unintelligible.)
    • Fietspad. Dus niet brommen. (Bicycle road. So don't drive here on a moped.)
    • Dit is voor Ton reden geweest om te stoppen met brommen toen hij zowel 's morgens als 's avonds in het donker de rit moest maken. [1980 February, “de bromfiets: ”het vergeten alternatief””, in Kampioen, page 148:]

    Etymology

    From Middle Dutch brummen, from Old Dutch *bremmen, from Proto-West Germanic *brammjan.

    Verbs referencing "brommen"

    French bramer, German, Pennsylvania brumme.

    Additional Information