beroeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beroeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beroeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beroerend
Past participle - Verleden deelwoord: beroerd

Cognates

See the 4 cognates of beroeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikberoer
jijberoert
hijberoert
wijberoeren
jullieberoeren
zijberoeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beroerd
jijhebt beroerd
hijheeft beroerd
wijhebben beroerd
julliehebben beroerd
zijhebben beroerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikberoerde
jijberoerde
hijberoerde
wijberoerden
jullieberoerden
zijberoerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beroerd
jijhad beroerd
hijhad beroerd
wijhadden beroerd
julliehadden beroerd
zijhadden beroerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beroeren
jijzult beroeren
hijzal beroeren
wijzullen beroeren
julliezullen beroeren
zijzullen beroeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beroerd hebben
jijzult beroerd hebben
hijzal beroerd hebben
wijzullen beroerd hebben
julliezullen beroerd hebben
zijzullen beroerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beroeren
jijzou beroeren
hijzou beroeren
wijzouden beroeren
julliezouden beroeren
zijzouden beroeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beroerd hebben
jijzou beroerd hebben
hijzou beroerd hebben
wijzouden beroerd hebben
julliezouden beroerd hebben
zijzouden beroerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijberoer

Translations

  • touch, make physical contact with
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch beroeren. Equivalent to be- + roeren.

    Verbs referencing "beroeren"

    Swedish beröra.

    Additional Information