aanvullen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanvullen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanvullen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanvullend
Past participle - Verleden deelwoord: aangevuld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvul aan
jijvult aan
hijvult aan
wijvullen aan
jullievullen aan
zijvullen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangevuld
jijhebt aangevuld
hijheeft aangevuld
wijhebben aangevuld
julliehebben aangevuld
zijhebben aangevuld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvulde aan
jijvulde aan
hijvulde aan
wijvulden aan
jullievulden aan
zijvulden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangevuld
jijhad aangevuld
hijhad aangevuld
wijhadden aangevuld
julliehadden aangevuld
zijhadden aangevuld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanvullen
jijzult aanvullen
hijzal aanvullen
wijzullen aanvullen
julliezullen aanvullen
zijzullen aanvullen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangevuld hebben
jijzult aangevuld hebben
hijzal aangevuld hebben
wijzullen aangevuld hebben
julliezullen aangevuld hebben
zijzullen aangevuld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanvullen
jijzou aanvullen
hijzou aanvullen
wijzouden aanvullen
julliezouden aanvullen
zijzouden aanvullen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangevuld hebben
jijzou aangevuld hebben
hijzou aangevuld hebben
wijzouden aangevuld hebben
julliezouden aangevuld hebben
zijzouden aangevuld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvul aan

Translations

  • augment, to increase, make larger or supplement
  • complement, to complete
  • complement, to provide what the partner lacks and lack what the partner provides
  • complete, to complete
  • complete, to make whole or entire
  • fill, add contents to, so it is full
  • finish, to complete
  • replenish, to refill
  • supplement, to provide or make a supplement to
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    completeren
    suppleren, volmaken
    bijladen
    bijvullen, opvullen

    Sample Sentences

    • Ik begon thans te bemerken dat mijn buskruid zeer verminderde, en dat ik dit gebrek nimmer zou kunnen aanvullen. Ik begon er ernstig over na te denken, wat te doen als ik geen kruid meer zou hebben, namelijk hoe ik dan van tijd tot tijd eene geit zou dooden. Ik had, gelijk ik verhaald heb, in het derde jaar [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] ver van elkander, en zoo verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig ongeluk overkwam, ik die gemakkelijk weder kon aanvullen. Dit laatste middel, hoe moeijelijk ook, achtte ik het verstandigst, en begon er dadelijk aan. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From aan + vullen.

    Additional Information