remmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of remmen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: remmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: remmend
Past participle - Verleden deelwoord: geremd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrem
jijremt
hijremt
wijremmen
jullieremmen
zijremmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geremd
jijhebt geremd
hijheeft geremd
wijhebben geremd
julliehebben geremd
zijhebben geremd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikremde
jijremde
hijremde
wijremden
jullieremden
zijremden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geremd
jijhad geremd
hijhad geremd
wijhadden geremd
julliehadden geremd
zijhadden geremd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal remmen
jijzult remmen
hijzal remmen
wijzullen remmen
julliezullen remmen
zijzullen remmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geremd hebben
jijzult geremd hebben
hijzal geremd hebben
wijzullen geremd hebben
julliezullen geremd hebben
zijzullen geremd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou remmen
jijzou remmen
hijzou remmen
wijzouden remmen
julliezouden remmen
zijzouden remmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geremd hebben
jijzou geremd hebben
hijzou geremd hebben
wijzouden geremd hebben
julliezouden geremd hebben
zijzouden geremd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrem

Translations

  • brake, to be stopped or slowed (as if) by braking
  • inhibit, to hold in or hold back; to restrain
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afremmen
    stoppen
    belemmeren
    beletten, hinderen, onderdrukken, tegengaan

    Antonyms

    belemmeren
    bevorderen, aanmoedigen, stimuleren

    Sample Sentences

    • De eiwitsynthese remmen. (To inhibit the protein synthesis.)

    Etymology

    From Middle Dutch remmen, from Old Dutch *remmen, from Proto-West Germanic *hrammjan, from Proto-Germanic *hramjaną. Historically derived from raam (“window, framework”) + -en (“denominative”) affected by umlaut. However, most speakers won't perceive this assocation and would rather derive the verb from rem (“brake”) + -en. See: Proto-Germanic '*hramjaną'.

    Additional Information