bezwijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bezwijken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bezwijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezwijkend
Past participle - Verleden deelwoord: bezweken

Cognates

See the 4 cognates of bezwijken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbezwijk
jijbezwijkt
hijbezwijkt
wijbezwijken
julliebezwijken
zijbezwijken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bezweken
jijhebt bezweken
hijheeft bezweken
wijhebben bezweken
julliehebben bezweken
zijhebben bezweken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbezweek
jijbezweek
hijbezweek
wijbezweken
julliebezweken
zijbezweken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bezweken
jijhad bezweken
hijhad bezweken
wijhadden bezweken
julliehadden bezweken
zijhadden bezweken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bezwijken
jijzult bezwijken
hijzal bezwijken
wijzullen bezwijken
julliezullen bezwijken
zijzullen bezwijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bezweken hebben
jijzult bezweken hebben
hijzal bezweken hebben
wijzullen bezweken hebben
julliezullen bezweken hebben
zijzullen bezweken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bezwijken
jijzou bezwijken
hijzou bezwijken
wijzouden bezwijken
julliezouden bezwijken
zijzouden bezwijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bezweken hebben
jijzou bezweken hebben
hijzou bezweken hebben
wijzouden bezweken hebben
julliezouden bezweken hebben
zijzouden bezweken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbezwijk

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

barsten
breken, doorzakken
doorslaan
toegeven

Sample Sentences

  • [...] den wal te zwemmen, en het land te verkennen; maar weldra hoorden wij zulk een verschrikkelijk gebrul, gehuil en geblaf van wilde dieren, welke, was ons onbekend, dat de arme knaap schier van vrees bezweek en mij bezwoer niet vóór den dag aan land te gaan. (Robinson Crusoe)
  • [...] neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier bezwijken. (Robinson Crusoe)
  • Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] op eenigen afstand aan weerszijden van het eiland liepen, en die door de herinnering van het gevaar, dat zij mij hadden doen loopen, voor mij zeer vreesselijk waren; en toen begon mijn moed te bezwijken, want ik voorzag, dat als ik in eene dier stroomingen geraakte, ik een groot eind weegs in zee zou gedreven worden, misschien zoo ver, dat ik het eiland niet meer bereiken of zien zou, en daar mijne [...] (Robinson Crusoe)
  • Het water verkwikte zijn vader meer dan al de sterke drank, dien ik hem gegeven had, want hij bezweek schier van dorst. Toen zijn vader gedronken had, riep ik hem of er nog water over was, en daar hij ja zeide, gelastte ik hem dit aan den armen Spanjaard te geven, die het even hoog noodig had als [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] ik hen naar het strand zag gaan, verbeeldde ik mij, gelijk het waarlijk was, dat zij hunne nasporingen hadden opgegeven, en terug wilden keeren, en de kapitein wien ik mijn vermoeden mededeelde, bezweek schier van angst. Ik had echter thans eene krijgslist bedacht om hen terug te lokken, die mij volmaakt gelukte. Ik gelastte Vrijdag en den stuurman, de kleine kreek westwaarts, waar de wilden met [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch beswiken (“to leave, travel, faint”), from Old Dutch biswīcan (“to deceive, seduce”), from Proto-West Germanic *biswīkwan. Equivalent to be- + zwijken.

Verbs referencing "bezwijken"

Old English swican, Middle English beswiken.

Additional Information