arriveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of arriveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: arriveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: arriverend
Past participle - Verleden deelwoord: gearriveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikarriveer
jijarriveert
hijarriveert
wijarriveren
julliearriveren
zijarriveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gearriveerd
jijhebt gearriveerd
hijheeft gearriveerd
wijhebben gearriveerd
julliehebben gearriveerd
zijhebben gearriveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikarriveerde
jijarriveerde
hijarriveerde
wijarriveerden
julliearriveerden
zijarriveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gearriveerd
jijhad gearriveerd
hijhad gearriveerd
wijhadden gearriveerd
julliehadden gearriveerd
zijhadden gearriveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal arriveren
jijzult arriveren
hijzal arriveren
wijzullen arriveren
julliezullen arriveren
zijzullen arriveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gearriveerd hebben
jijzult gearriveerd hebben
hijzal gearriveerd hebben
wijzullen gearriveerd hebben
julliezullen gearriveerd hebben
zijzullen gearriveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou arriveren
jijzou arriveren
hijzou arriveren
wijzouden arriveren
julliezouden arriveren
zijzouden arriveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gearriveerd hebben
jijzou gearriveerd hebben
hijzou gearriveerd hebben
wijzouden gearriveerd hebben
julliezouden gearriveerd hebben
zijzouden gearriveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijarriveer

Translations

  • arrive, to reach
  • arrive, to get to a certain place
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aankomen
    belanden, bereiken
    komen
    aankomen, bereiken, verschijnen
    terechtkomen
    aankomen, belanden

    Antonyms

    aankomen
    afvallen, afslanken, lijnen, vermageren

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch ariveren, from Old French ariver. See: Old French 'ariver'.

    Verbs referencing "arriveren"

    Afrikaans arriveer.

    Additional Information