affineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of affineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: affineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: affinerend
Past participle - Verleden deelwoord: afgefineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfineer af
jijfineert af
hijfineert af
wijfineren af
julliefineren af
zijfineren af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgefineerd
jijhebt afgefineerd
hijheeft afgefineerd
wijhebben afgefineerd
julliehebben afgefineerd
zijhebben afgefineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfineerde af
jijfineerde af
hijfineerde af
wijfineerden af
julliefineerden af
zijfineerden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgefineerd
jijhad afgefineerd
hijhad afgefineerd
wijhadden afgefineerd
julliehadden afgefineerd
zijhadden afgefineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal affineren
jijzult affineren
hijzal affineren
wijzullen affineren
julliezullen affineren
zijzullen affineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgefineerd hebben
jijzult afgefineerd hebben
hijzal afgefineerd hebben
wijzullen afgefineerd hebben
julliezullen afgefineerd hebben
zijzullen afgefineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou affineren
jijzou affineren
hijzou affineren
wijzouden affineren
julliezouden affineren
zijzouden affineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgefineerd hebben
jijzou afgefineerd hebben
hijzou afgefineerd hebben
wijzouden afgefineerd hebben
julliezouden afgefineerd hebben
zijzouden afgefineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfineer af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information