belanden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of belanden

The word "belanden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: belanden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belandend
Past participle - Verleden deelwoord: beland

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeland
jijbelandt
hijbelandt
wijbelanden
julliebelanden
zijbelanden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beland
jijhebt beland
hijheeft beland
wijhebben beland
julliehebben beland
zijhebben beland

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelandde
jijbelandde
hijbelandde
wijbelandden
julliebelandden
zijbelandden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beland
jijhad beland
hijhad beland
wijhadden beland
julliehadden beland
zijhadden beland

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal belanden
jijzult belanden
hijzal belanden
wijzullen belanden
julliezullen belanden
zijzullen belanden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beland hebben
jijzult beland hebben
hijzal beland hebben
wijzullen beland hebben
julliezullen beland hebben
zijzullen beland hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou belanden
jijzou belanden
hijzou belanden
wijzouden belanden
julliezouden belanden
zijzouden belanden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beland hebben
jijzou beland hebben
hijzou beland hebben
wijzouden beland hebben
julliezouden beland hebben
zijzouden beland hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeland

Verbs similar to 'belanden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch belenden. Equivalent to be- + landen.

Additional Information