addiceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of addiceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: addiceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: addicerend
Past participle - Verleden deelwoord: geaddiceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaddiceer
jijaddiceert
hijaddiceert
wijaddiceren
jullieaddiceren
zijaddiceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaddiceerd
jijhebt geaddiceerd
hijheeft geaddiceerd
wijhebben geaddiceerd
julliehebben geaddiceerd
zijhebben geaddiceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaddiceerde
jijaddiceerde
hijaddiceerde
wijaddiceerden
jullieaddiceerden
zijaddiceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaddiceerd
jijhad geaddiceerd
hijhad geaddiceerd
wijhadden geaddiceerd
julliehadden geaddiceerd
zijhadden geaddiceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal addiceren
jijzult addiceren
hijzal addiceren
wijzullen addiceren
julliezullen addiceren
zijzullen addiceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaddiceerd hebben
jijzult geaddiceerd hebben
hijzal geaddiceerd hebben
wijzullen geaddiceerd hebben
julliezullen geaddiceerd hebben
zijzullen geaddiceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou addiceren
jijzou addiceren
hijzou addiceren
wijzouden addiceren
julliezouden addiceren
zijzouden addiceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaddiceerd hebben
jijzou geaddiceerd hebben
hijzou geaddiceerd hebben
wijzouden geaddiceerd hebben
julliezouden geaddiceerd hebben
zijzouden geaddiceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaddiceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information