afroven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afroven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afroven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afrovend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeroofd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroof af
jijrooft af
hijrooft af
wijroven af
jullieroven af
zijroven af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeroofd
jijhebt afgeroofd
hijheeft afgeroofd
wijhebben afgeroofd
julliehebben afgeroofd
zijhebben afgeroofd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroofde af
jijroofde af
hijroofde af
wijroofden af
jullieroofden af
zijroofden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeroofd
jijhad afgeroofd
hijhad afgeroofd
wijhadden afgeroofd
julliehadden afgeroofd
zijhadden afgeroofd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afroven
jijzult afroven
hijzal afroven
wijzullen afroven
julliezullen afroven
zijzullen afroven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeroofd hebben
jijzult afgeroofd hebben
hijzal afgeroofd hebben
wijzullen afgeroofd hebben
julliezullen afgeroofd hebben
zijzullen afgeroofd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afroven
jijzou afroven
hijzou afroven
wijzouden afroven
julliezouden afroven
zijzouden afroven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeroofd hebben
jijzou afgeroofd hebben
hijzou afgeroofd hebben
wijzouden afgeroofd hebben
julliezouden afgeroofd hebben
zijzouden afgeroofd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroof af

Verbs conjugated like 'afroven'

aandraven, aaneenkleven, aanschaven, afroven, afschaven, afsloven, beleven, beloven, beroven, beschaven, beven, dichtreven, doven, draven, geloven, kleven, kloven, laven, leven, loven, etc. (List truncated at 20 verbs)

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information