Infinitive - Onbepaalde wijs: afraden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afradend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeraden
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | raad af |
| jij | raadt af |
| hij | raadt af |
| wij | raden af |
| jullie | raden af |
| zij | raden af |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgeraden |
| jij | hebt afgeraden |
| hij | heeft afgeraden |
| wij | hebben afgeraden |
| jullie | hebben afgeraden |
| zij | hebben afgeraden |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ried af; raadde af |
| jij | ried af; raadde af |
| hij | ried af; raadde af |
| wij | rieden af; raadden af |
| jullie | rieden af; raadden af |
| zij | rieden af; raadden af |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgeraden |
| jij | had afgeraden |
| hij | had afgeraden |
| wij | hadden afgeraden |
| jullie | hadden afgeraden |
| zij | hadden afgeraden |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afraden |
| jij | zult afraden |
| hij | zal afraden |
| wij | zullen afraden |
| jullie | zullen afraden |
| zij | zullen afraden |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgeraden hebben |
| jij | zult afgeraden hebben |
| hij | zal afgeraden hebben |
| wij | zullen afgeraden hebben |
| jullie | zullen afgeraden hebben |
| zij | zullen afgeraden hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afraden |
| jij | zou afraden |
| hij | zou afraden |
| wij | zouden afraden |
| jullie | zouden afraden |
| zij | zouden afraden |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgeraden hebben |
| jij | zou afgeraden hebben |
| hij | zou afgeraden hebben |
| wij | zouden afgeraden hebben |
| jullie | zouden afgeraden hebben |
| zij | zouden afgeraden hebben |
| jij | raad af |