afragen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afragen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afragen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afragend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeraagd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikraag af
jijraagt af
hijraagt af
wijragen af
jullieragen af
zijragen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeraagd
jijhebt afgeraagd
hijheeft afgeraagd
wijhebben afgeraagd
julliehebben afgeraagd
zijhebben afgeraagd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikraagde af
jijraagde af
hijraagde af
wijraagden af
jullieraagden af
zijraagden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeraagd
jijhad afgeraagd
hijhad afgeraagd
wijhadden afgeraagd
julliehadden afgeraagd
zijhadden afgeraagd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afragen
jijzult afragen
hijzal afragen
wijzullen afragen
julliezullen afragen
zijzullen afragen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeraagd hebben
jijzult afgeraagd hebben
hijzal afgeraagd hebben
wijzullen afgeraagd hebben
julliezullen afgeraagd hebben
zijzullen afgeraagd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afragen
jijzou afragen
hijzou afragen
wijzouden afragen
julliezouden afragen
zijzouden afragen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeraagd hebben
jijzou afgeraagd hebben
hijzou afgeraagd hebben
wijzouden afgeraagd hebben
julliezouden afgeraagd hebben
zijzouden afgeraagd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijraag af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information