zijgen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zijgen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zijgen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zijgend
Past participle - Verleden deelwoord: gezegen

Cognates

See the 3 cognates of zijgen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzijg
jijzijgt
hijzijgt
wijzijgen
julliezijgen
zijzijgen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezegen
jijhebt gezegen
hijheeft gezegen
wijhebben gezegen
julliehebben gezegen
zijhebben gezegen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzeeg
jijzeeg
hijzeeg
wijzegen
julliezegen
zijzegen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezegen
jijhad gezegen
hijhad gezegen
wijhadden gezegen
julliehadden gezegen
zijhadden gezegen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zijgen
jijzult zijgen
hijzal zijgen
wijzullen zijgen
julliezullen zijgen
zijzullen zijgen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezegen hebben
jijzult gezegen hebben
hijzal gezegen hebben
wijzullen gezegen hebben
julliezullen gezegen hebben
zijzullen gezegen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zijgen
jijzou zijgen
hijzou zijgen
wijzouden zijgen
julliezouden zijgen
zijzouden zijgen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezegen hebben
jijzou gezegen hebben
hijzou gezegen hebben
wijzouden gezegen hebben
julliezouden gezegen hebben
zijzouden gezegen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzijg

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

zakken
zinken
zinken
vallen, zakken

Sample Sentences

  • [...] ik verlangde. Eerst was ik eenigen tijd niet in staat een woord te antwoorden, maar daar hij mij in zijne armen gesloten had, hield ik mij aan hem vast, want ik was bang van op den grond neder te zijgen. Hij bespeurde mijne verrassing en eene flesch uit zijn zak halende, gaf hij mij dadelijk een hartsterking, die hij opzettelijk voor mij had medegebragt. Na gedronken te hebben, ging ik op den grond [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch sigen (“to drop down, to slump”), from Old Dutch *sīgan, from Proto-West Germanic *sīgan, from Proto-Germanic *sīganą. See: Middle Dutch 'sigen', Proto-Germanic '*sīganą'.

Verbs referencing "zijgen"

English sie.

Additional Information