Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: wanhopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wanhopend
Past participle - Verleden deelwoord: wanhoopt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | wanhoop |
| jij | wanhoopt |
| hij | wanhoopt |
| wij | wanhopen |
| jullie | wanhopen |
| zij | wanhopen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb wanhoopt |
| jij | hebt wanhoopt |
| hij | heeft wanhoopt |
| wij | hebben wanhoopt |
| jullie | hebben wanhoopt |
| zij | hebben wanhoopt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | wanhoopte |
| jij | wanhoopte |
| hij | wanhoopte |
| wij | wanhoopten |
| jullie | wanhoopten |
| zij | wanhoopten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had wanhoopt |
| jij | had wanhoopt |
| hij | had wanhoopt |
| wij | hadden wanhoopt |
| jullie | hadden wanhoopt |
| zij | hadden wanhoopt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal wanhopen |
| jij | zult wanhopen |
| hij | zal wanhopen |
| wij | zullen wanhopen |
| jullie | zullen wanhopen |
| zij | zullen wanhopen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal wanhoopt hebben |
| jij | zult wanhoopt hebben |
| hij | zal wanhoopt hebben |
| wij | zullen wanhoopt hebben |
| jullie | zullen wanhoopt hebben |
| zij | zullen wanhoopt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou wanhopen |
| jij | zou wanhopen |
| hij | zou wanhopen |
| wij | zouden wanhopen |
| jullie | zouden wanhopen |
| zij | zouden wanhopen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou wanhoopt hebben |
| jij | zou wanhoopt hebben |
| hij | zou wanhoopt hebben |
| wij | zouden wanhoopt hebben |
| jullie | zouden wanhoopt hebben |
| zij | zouden wanhoopt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'wanhopen'
aanbleken,
aanhaken,
aankweken,
aanmaken,
aanpreken,
aanraken,
aansmeken,
aanstoken,
afhaken,
afkraken,
afmaken,
afpreken,
bekendmaken,
bewaken,
dichtmaken,
dopen,
gapen,
geraken,
inmaken,
inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'wanhopen'
aanhogen,
aandoen,
aanhaken,
aanhalen,
aanhelen,
aanhouden,
aankomen,
afhogen,
inkopen,
nopen,
Translations
despair, to be hopeless
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] bijgezet, nog niet in hunnen koers kon komen, maar dat zij mij voorbij zijn zouden, voor ik hun eenig sein had kunnen doen, doch na zoo veel ik kon opgeloefd te hebben, en toen ik reeds begon te wanhopen, zagen zij, naar het scheen, mij door hunne kijkers, en dat het eene boot van Europeesch maaksel was, die zij onderstelden dat een schip moest behooren, dat vergaan was; dus minderden zij zeil, om [...]
(Robinson Crusoe)
-
Den geheelen verderen dag bragt ik door met mijn ongelukkig lot te bejammeren. Ik had geen voedsel, woning, kleederen, wapenen noch toevlugtsoord, en aan alle uitkomst wanhopende, niets dan den dood voor oogen, hetzij, dat ik door wilde dieren verslonden, door wilden vermoord, of uit gebrek aan voedsel verhongeren moest. Bij het aanbreken van den nacht, ging ik, uit vrees [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] zich de ontroering te verbeelden, waarin ik mij thans bevond, nu ik van mijn geliefd eiland (zoo beschouwde ik het thans ) op den wijden Oceaan was gedreven, schier twee mijlen ver, en genoegzaam wanhopende het ooit weder te zullen zien. Ik werkte echter hard, tot mijne kracht genoegzaam uitgeput was, en hield mijne boot zooveel noordelijk, dat wil zeggen naar den kant der strooming, waar de [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch wanhopen. Equivalent to wan- (“dis-”) + hopen (“to hope”).
Additional Information