voorbereiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorbereiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorbereiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorbereidend
Past participle - Verleden deelwoord: voorbereid

Cognates

See the 5 cognates of voorbereiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbereid voor
jijbereidt voor
hijbereidt voor
wijbereiden voor
julliebereiden voor
zijbereiden voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorbereid
jijhebt voorbereid
hijheeft voorbereid
wijhebben voorbereid
julliehebben voorbereid
zijhebben voorbereid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbereidde voor
jijbereidde voor
hijbereidde voor
wijbereidden voor
julliebereidden voor
zijbereidden voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorbereid
jijhad voorbereid
hijhad voorbereid
wijhadden voorbereid
julliehadden voorbereid
zijhadden voorbereid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorbereiden
jijzult voorbereiden
hijzal voorbereiden
wijzullen voorbereiden
julliezullen voorbereiden
zijzullen voorbereiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorbereid hebben
jijzult voorbereid hebben
hijzal voorbereid hebben
wijzullen voorbereid hebben
julliezullen voorbereid hebben
zijzullen voorbereid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorbereiden
jijzou voorbereiden
hijzou voorbereiden
wijzouden voorbereiden
julliezouden voorbereiden
zijzouden voorbereiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorbereid hebben
jijzou voorbereid hebben
hijzou voorbereid hebben
wijzouden voorbereid hebben
julliezouden voorbereid hebben
zijzouden voorbereid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbereid voor

Translations

  • brace, to prepare oneself for an impact
  • prepare, to make ready for a specific future purpose
  • prepare, to produce by combining elements
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    beramen
    bedenken, opzetten, smeden
    prepareren
    gereedmaken

    Sample Sentences

    • [...] zou gaan. De storm was zoodanig, dat ik zag, wat men niet dikwijls ziet, den kapitein, den stuurman, den bootsman, en eenigen der verstandigsten van het volk, geknield hunne gebeden opzeggen en zich voorbereiden op een graf in den oceaan. Midden in den nacht, en bij al onzen nood, riep een van het volk, die hierom naar omlaag was gezonden, dat wij een lek hadden; een ander zeide, dat er vier voet water in [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] langer dan eenige minuten kon houden, zonder verbrijzeld te worden, ten ware de wind, door een wonder, onmiddellijk omliep. Kortom, wij zagen elkander aan, en verwachtten elk oogenblik den dood; ons voorbereidende op den overgang in eene andere wereld, want in deze hadden wij weinig meer te verrigten. Onze eenigste hoop was, dat het schip nog heel bleef, en de kapitein opmerkte, dat de wind begon te gaan [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From voor + bereiden.

    Verbs referencing "voorbereiden"

    Swedish förbereda, Danish forberede, English foreready.

    Additional Information