verspreiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verspreiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verspreiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verspreidend
Past participle - Verleden deelwoord: verspreid

Cognates

See the 2 cognates of verspreiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverspreid
jijverspreidt
hijverspreidt
wijverspreiden
jullieverspreiden
zijverspreiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verspreid
jijhebt verspreid
hijheeft verspreid
wijhebben verspreid
julliehebben verspreid
zijhebben verspreid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverspreidde
jijverspreidde
hijverspreidde
wijverspreidden
jullieverspreidden
zijverspreidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verspreid
jijhad verspreid
hijhad verspreid
wijhadden verspreid
julliehadden verspreid
zijhadden verspreid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verspreiden
jijzult verspreiden
hijzal verspreiden
wijzullen verspreiden
julliezullen verspreiden
zijzullen verspreiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verspreid hebben
jijzult verspreid hebben
hijzal verspreid hebben
wijzullen verspreid hebben
julliezullen verspreid hebben
zijzullen verspreid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verspreiden
jijzou verspreiden
hijzou verspreiden
wijzouden verspreiden
julliezouden verspreiden
zijzouden verspreiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verspreid hebben
jijzou verspreid hebben
hijzou verspreid hebben
wijzouden verspreid hebben
julliezouden verspreid hebben
zijzouden verspreid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverspreid

Translations

  • distribute, to scatter or spread
  • scatter, to cause to separate
  • scatter, to distribute loosely
  • sprawl, to spread out in disorderly fashion
  • spread, to stretch out, expand
  • spread, to disperse, scatter
  • spread, (transitive) to disseminate, make known or present
  • spread, (intransitive) to take up a larger area, expand
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afstralen
    uitstralen
    propageren
    adverteren, verkondigen
    verkondigen
    prediken
    zaaien
    strooien, uitzaaien

    Sample Sentences

    • Ik verspreid het diagram onder mijn collega's. (I spread the diagram around among my colleagues.)
    • Het vuur verspreidt zich snel. (The fire spreads around quickly.)

    Etymology

    From ver- + spreiden.

    Verbs referencing "verspreiden"

    English forspread.

    Additional Information