Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: aanvaarden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanvaardend
Past participle - Verleden deelwoord: aanvaard
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | aanvaard |
| jij | aanvaardt |
| hij | aanvaardt |
| wij | aanvaarden |
| jullie | aanvaarden |
| zij | aanvaarden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb aanvaard |
| jij | hebt aanvaard |
| hij | heeft aanvaard |
| wij | hebben aanvaard |
| jullie | hebben aanvaard |
| zij | hebben aanvaard |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | aanvaardde |
| jij | aanvaardde |
| hij | aanvaardde |
| wij | aanvaardden |
| jullie | aanvaardden |
| zij | aanvaardden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had aanvaard |
| jij | had aanvaard |
| hij | had aanvaard |
| wij | hadden aanvaard |
| jullie | hadden aanvaard |
| zij | hadden aanvaard |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aanvaarden |
| jij | zult aanvaarden |
| hij | zal aanvaarden |
| wij | zullen aanvaarden |
| jullie | zullen aanvaarden |
| zij | zullen aanvaarden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aanvaard hebben |
| jij | zult aanvaard hebben |
| hij | zal aanvaard hebben |
| wij | zullen aanvaard hebben |
| jullie | zullen aanvaard hebben |
| zij | zullen aanvaard hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aanvaarden |
| jij | zou aanvaarden |
| hij | zou aanvaarden |
| wij | zouden aanvaarden |
| jullie | zouden aanvaarden |
| zij | zouden aanvaarden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aanvaard hebben |
| jij | zou aanvaard hebben |
| hij | zou aanvaard hebben |
| wij | zouden aanvaard hebben |
| jullie | zouden aanvaard hebben |
| zij | zouden aanvaard hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'aanvaarden'
aanaarden,
aanbanden,
aanbelanden,
aanbloeden,
aanboorden,
aanbranden,
aanduiden,
aanlanden,
aanleiden,
aanmelden,
aanranden,
aanspelden,
aanspoeden,
aanvaarden,
aanwenden,
aanzanden,
afbeelden,
afgronden,
afleiden,
afmelden, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'aanvaarden'
aanaarden,
aanbanden,
aanboorden,
aanbraden,
aanbranden,
aanharken,
aanlanden,
aannaaien,
aanraden,
aanranden,
Translations
accept, to receive with consent
accept, to agree to
accept, to endure patiently
accede, to agree to a proposal or view
accede, to enter upon an office or dignity
credence, acceptance of a belief or claim
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- accepteren
- berusten, nemen, slikken
- aangaan
- aanvangen, ondernemen
- aannemen
- aanpakken
Antonyms
- accepteren
- afwijzen, afkeuren, afslaan, afstemmen, afwimpelen, verwerpen, weigeren
- aangaan
- uitgaan, doven
Sample Sentences
-
Hij zeide, dat dit ook waar was, maar daar er geen bewijs van mijn dood bestond, hij niet als executeur kon handelen; bovendien had hij zulk eene afgelegene zaak niet willen aanvaarden. Wel had hij mijn testament doen registreren, en zijn regt bewezen, en zoo hij eenig bewijs van mijn leven of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld, en mijne plantaadje in [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch aenvaerden, aenveerden, aenverden (“to travel, to address”). Equivalent to aan- + vaart + -en.
Verbs referencing "aanvaarden"
Afrikaans
aanvaar.
Additional Information