aanvaarden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanvaarden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanvaarden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanvaardend
Past participle - Verleden deelwoord: aanvaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaanvaard
jijaanvaardt
hijaanvaardt
wijaanvaarden
jullieaanvaarden
zijaanvaarden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aanvaard
jijhebt aanvaard
hijheeft aanvaard
wijhebben aanvaard
julliehebben aanvaard
zijhebben aanvaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaanvaardde
jijaanvaardde
hijaanvaardde
wijaanvaardden
jullieaanvaardden
zijaanvaardden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aanvaard
jijhad aanvaard
hijhad aanvaard
wijhadden aanvaard
julliehadden aanvaard
zijhadden aanvaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanvaarden
jijzult aanvaarden
hijzal aanvaarden
wijzullen aanvaarden
julliezullen aanvaarden
zijzullen aanvaarden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aanvaard hebben
jijzult aanvaard hebben
hijzal aanvaard hebben
wijzullen aanvaard hebben
julliezullen aanvaard hebben
zijzullen aanvaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanvaarden
jijzou aanvaarden
hijzou aanvaarden
wijzouden aanvaarden
julliezouden aanvaarden
zijzouden aanvaarden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aanvaard hebben
jijzou aanvaard hebben
hijzou aanvaard hebben
wijzouden aanvaard hebben
julliezouden aanvaard hebben
zijzouden aanvaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaanvaard

Translations

  • accept, to receive with consent
  • accept, to agree to
  • accept, to endure patiently
  • accede, to agree to a proposal or view
  • accede, to enter upon an office or dignity
  • credence, acceptance of a belief or claim
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    accepteren
    berusten, nemen, slikken
    aangaan
    aanvangen, ondernemen
    aannemen
    aanpakken

    Antonyms

    accepteren
    afwijzen, afkeuren, afslaan, afstemmen, afwimpelen, verwerpen, weigeren
    aangaan
    uitgaan, doven

    Sample Sentences

    • Hij zeide, dat dit ook waar was, maar daar er geen bewijs van mijn dood bestond, hij niet als executeur kon handelen; bovendien had hij zulk eene afgelegene zaak niet willen aanvaarden. Wel had hij mijn testament doen registreren, en zijn regt bewezen, en zoo hij eenig bewijs van mijn leven of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld, en mijne plantaadje in [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch aenvaerden, aenveerden, aenverden (“to travel, to address”). Equivalent to aan- + vaart + -en.

    Verbs referencing "aanvaarden"

    Afrikaans aanvaar.

    Additional Information