aanaarden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanaarden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanaarden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanaardend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaard aan
jijaardt aan
hijaardt aan
wijaarden aan
jullieaarden aan
zijaarden aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeaard
jijhebt aangeaard
hijheeft aangeaard
wijhebben aangeaard
julliehebben aangeaard
zijhebben aangeaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaardde aan
jijaardde aan
hijaardde aan
wijaardden aan
jullieaardden aan
zijaardden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeaard
jijhad aangeaard
hijhad aangeaard
wijhadden aangeaard
julliehadden aangeaard
zijhadden aangeaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanaarden
jijzult aanaarden
hijzal aanaarden
wijzullen aanaarden
julliezullen aanaarden
zijzullen aanaarden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeaard hebben
jijzult aangeaard hebben
hijzal aangeaard hebben
wijzullen aangeaard hebben
julliezullen aangeaard hebben
zijzullen aangeaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanaarden
jijzou aanaarden
hijzou aanaarden
wijzouden aanaarden
julliezouden aanaarden
zijzouden aanaarden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeaard hebben
jijzou aangeaard hebben
hijzou aangeaard hebben
wijzouden aangeaard hebben
julliezouden aangeaard hebben
zijzouden aangeaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaard aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Aardappelgewas meerdere keren per seizoen aanaarden om meer knollen te laten groeien. (Earth up a potato crop several times during the season to encourage more tubers to grow.)

Etymology

Compound of aan + aarden.

Additional Information