afleiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afleiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afleiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afleidend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeleid

Cognates

See the 4 cognates of afleiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleid af
jijleidt af
hijleidt af
wijleiden af
jullieleiden af
zijleiden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeleid
jijhebt afgeleid
hijheeft afgeleid
wijhebben afgeleid
julliehebben afgeleid
zijhebben afgeleid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleidde af
jijleidde af
hijleidde af
wijleidden af
jullieleidden af
zijleidden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeleid
jijhad afgeleid
hijhad afgeleid
wijhadden afgeleid
julliehadden afgeleid
zijhadden afgeleid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afleiden
jijzult afleiden
hijzal afleiden
wijzullen afleiden
julliezullen afleiden
zijzullen afleiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeleid hebben
jijzult afgeleid hebben
hijzal afgeleid hebben
wijzullen afgeleid hebben
julliezullen afgeleid hebben
zijzullen afgeleid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afleiden
jijzou afleiden
hijzou afleiden
wijzouden afleiden
julliezouden afleiden
zijzouden afleiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeleid hebben
jijzou afgeleid hebben
hijzou afgeleid hebben
wijzouden afgeleid hebben
julliezouden afgeleid hebben
zijzouden afgeleid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleid af

Translations

  • abstract, to draw off
  • deduce, to reach (a conclusion) by applying rules of logic or other forms of reasoning
  • derive, obtain (something) from something else
  • derive, deduce (a conclusion) by reasoning
  • derive, find the derivation of (a word or phrase)
  • derive, create (a compound) from another by means of a reaction
  • differentiate, math: to calculate the derivative
  • distract, To divert the attention of
  • educe, to infer, deduce
  • elicit, to use logic to arrive at truth
  • skew, to bias or distort in a particular direction
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afbrengen
    storen, verstrooien, wegleiden
    concluderen
    deduceren, distilleren, opmaken

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch afleiden. Equivalent to af + leiden. Cognate to English offlead, Danish aflede, Swedish avleda, German ableiten. See: English 'offlead', Danish 'aflede', Swedish 'avleda', German, old spelling 'ableiten'.

    Verbs referencing "afleiden"

    German, old spelling ableiten.

    Additional Information