spreiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spreiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spreiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spreidend
Past participle - Verleden deelwoord: gespreid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspreid
jijspreidt
hijspreidt
wijspreiden
julliespreiden
zijspreiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespreid
jijhebt gespreid
hijheeft gespreid
wijhebben gespreid
julliehebben gespreid
zijhebben gespreid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspreidde
jijspreidde
hijspreidde
wijspreidden
julliespreidden
zijspreidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespreid
jijhad gespreid
hijhad gespreid
wijhadden gespreid
julliehadden gespreid
zijhadden gespreid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spreiden
jijzult spreiden
hijzal spreiden
wijzullen spreiden
julliezullen spreiden
zijzullen spreiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespreid hebben
jijzult gespreid hebben
hijzal gespreid hebben
wijzullen gespreid hebben
julliezullen gespreid hebben
zijzullen gespreid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spreiden
jijzou spreiden
hijzou spreiden
wijzouden spreiden
julliezouden spreiden
zijzouden spreiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespreid hebben
jijzou gespreid hebben
hijzou gespreid hebben
wijzouden gespreid hebben
julliezouden gespreid hebben
zijzouden gespreid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspreid

Translations

  • spread, to stretch out, expand
  • spread, to extend, stretch out (limbs etc)
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    decentraliseren
    verdelen

    Sample Sentences

    • [...] de onoverkomelijkste rampen getroffen schijnen ! Hoe kan Hij onzen bittersten toestand verzachten, en ons reden geven Hem zelfs in den diepsten kerker te loven ! Welk eene tafel was thans voor mij gespreid in eene wildernis, waarin ik in den beginne niets dan den hongerdood voor oogen zag ! (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch spreiden, from Old Dutch *spreiden, from Frankish *spraidijan, from Proto-Germanic *spraidijaną. See: Proto-Germanic '*spraidijaną'.

    Verbs referencing "spreiden"

    English spread, Alemannic German spräite, Luxembourgish spreeden.

    Additional Information