verlijden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verlijden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verlijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verlijdend
Past participle - Verleden deelwoord: verleden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverlijd
jijverlijdt
hijverlijdt
wijverlijden
jullieverlijden
zijverlijden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verleden
jijhebt verleden
hijheeft verleden
wijhebben verleden
julliehebben verleden
zijhebben verleden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverleed
jijverleed
hijverleed
wijverleden
jullieverleden
zijverleden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verleden
jijhad verleden
hijhad verleden
wijhadden verleden
julliehadden verleden
zijhadden verleden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verlijden
jijzult verlijden
hijzal verlijden
wijzullen verlijden
julliezullen verlijden
zijzullen verlijden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verleden hebben
jijzult verleden hebben
hijzal verleden hebben
wijzullen verleden hebben
julliezullen verleden hebben
zijzullen verleden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verlijden
jijzou verlijden
hijzou verlijden
wijzouden verlijden
julliezouden verlijden
zijzouden verlijden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verleden hebben
jijzou verleden hebben
hijzou verleden hebben
wijzouden verleden hebben
julliezouden verleden hebben
zijzouden verleden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverlijd

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

passeren
bekrachtigen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch verliden, from Old Dutch farlīthan. Equivalent to ver- + lijden.

Additional Information