verbinden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verbinden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verbinden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verbindend
Past participle - Verleden deelwoord: verbonden

Cognates

See the 2 cognates of verbinden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverbind
jijverbindt
hijverbindt
wijverbinden
jullieverbinden
zijverbinden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verbonden
jijhebt verbonden
hijheeft verbonden
wijhebben verbonden
julliehebben verbonden
zijhebben verbonden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverbond
jijverbond
hijverbond
wijverbonden
jullieverbonden
zijverbonden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verbonden
jijhad verbonden
hijhad verbonden
wijhadden verbonden
julliehadden verbonden
zijhadden verbonden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verbinden
jijzult verbinden
hijzal verbinden
wijzullen verbinden
julliezullen verbinden
zijzullen verbinden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verbonden hebben
jijzult verbonden hebben
hijzal verbonden hebben
wijzullen verbonden hebben
julliezullen verbonden hebben
zijzullen verbonden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verbinden
jijzou verbinden
hijzou verbinden
wijzouden verbinden
julliezouden verbinden
zijzouden verbinden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verbonden hebben
jijzou verbonden hebben
hijzou verbonden hebben
wijzouden verbonden hebben
julliezouden verbonden hebben
zijzouden verbonden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverbind

Translations

  • bind, ''transitive'' connect
  • conflate, fuse into a single entity
  • connect, to join two or more pieces
  • connect, to join an electrical or telephone line
  • elide, to cut off, as a vowel or a syllable
  • elide, to conflate
  • link, connect things
  • weld, to bind, unite
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    koppelen
    vastmaken

    Sample Sentences

    • [...] verrukt van vreugde er over; en mijn goede vriend de kapitein had de 5 [ £ ] Sterl., die de weduwe hem tot een geschenk had gezonden, besteed, om voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, omdat ik dien zelf geteeld had. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch verbinden, from Old Dutch *farbindan, from Proto-West Germanic *frabindan. Equivalent to ver- + binden. Cognate with German verbinden and Old English forbindan (whence Middle English forbinden). See: German, old spelling 'verbinden', Old English 'forbindan', Middle English 'forbinden'.

    Verbs referencing "verbinden"

    German, old spelling verbinden.

    Additional Information