verbleken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verbleken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verbleken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verblekend
Past participle - Verleden deelwoord: verbleekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverbleek
jijverbleekt
hijverbleekt
wijverbleken
jullieverbleken
zijverbleken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verbleekt
jijhebt verbleekt
hijheeft verbleekt
wijhebben verbleekt
julliehebben verbleekt
zijhebben verbleekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverbleekte
jijverbleekte
hijverbleekte
wijverbleekten
jullieverbleekten
zijverbleekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verbleekt
jijhad verbleekt
hijhad verbleekt
wijhadden verbleekt
julliehadden verbleekt
zijhadden verbleekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verbleken
jijzult verbleken
hijzal verbleken
wijzullen verbleken
julliezullen verbleken
zijzullen verbleken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verbleekt hebben
jijzult verbleekt hebben
hijzal verbleekt hebben
wijzullen verbleekt hebben
julliezullen verbleekt hebben
zijzullen verbleekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verbleken
jijzou verbleken
hijzou verbleken
wijzouden verbleken
julliezouden verbleken
zijzouden verbleken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verbleekt hebben
jijzou verbleekt hebben
hijzou verbleekt hebben
wijzouden verbleekt hebben
julliezouden verbleekt hebben
zijzouden verbleekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverbleek

Translations

  • blanch, to grow or become white
  • fade, to lose freshness, brightness
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    vervagen
    verzwakken

    Sample Sentences

    Etymology

    From ver- + bleken, or bleek + ver- -en.

    Additional Information