verplegen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verplegen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verplegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verplegend
Past participle - Verleden deelwoord: verplegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverpleg
jijverplegt
hijverplegt
wijverplegen
jullieverplegen
zijverplegen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verplegd
jijhebt verplegd
hijheeft verplegd
wijhebben verplegd
julliehebben verplegd
zijhebben verplegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverplegde
jijverplegde
hijverplegde
wijverplegden
jullieverplegden
zijverplegden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verplegd
jijhad verplegd
hijhad verplegd
wijhadden verplegd
julliehadden verplegd
zijhadden verplegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verplegen
jijzult verplegen
hijzal verplegen
wijzullen verplegen
julliezullen verplegen
zijzullen verplegen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verplegd hebben
jijzult verplegd hebben
hijzal verplegd hebben
wijzullen verplegd hebben
julliezullen verplegd hebben
zijzullen verplegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verplegen
jijzou verplegen
hijzou verplegen
wijzouden verplegen
julliezouden verplegen
zijzouden verplegen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verplegd hebben
jijzou verplegd hebben
hijzou verplegd hebben
wijzouden verplegd hebben
julliezouden verplegd hebben
zijzouden verplegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverpleg

Translations

  • nurse, to care for the sick
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    helpen
    verzorgen

    Sample Sentences

    Etymology

    From ver- + plegen.

    Additional Information