vastmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vastmaken

The word "vastmaken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vastmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vastmakend
Past participle - Verleden deelwoord: vastgemaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaak vast
jijmaakt vast
hijmaakt vast
wijmaken vast
julliemaken vast
zijmaken vast

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vastgemaakt
jijhebt vastgemaakt
hijheeft vastgemaakt
wijhebben vastgemaakt
julliehebben vastgemaakt
zijhebben vastgemaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaakte vast
jijmaakte vast
hijmaakte vast
wijmaakten vast
julliemaakten vast
zijmaakten vast

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vastgemaakt
jijhad vastgemaakt
hijhad vastgemaakt
wijhadden vastgemaakt
julliehadden vastgemaakt
zijhadden vastgemaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vastmaken
jijzult vastmaken
hijzal vastmaken
wijzullen vastmaken
julliezullen vastmaken
zijzullen vastmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vastgemaakt hebben
jijzult vastgemaakt hebben
hijzal vastgemaakt hebben
wijzullen vastgemaakt hebben
julliezullen vastgemaakt hebben
zijzullen vastgemaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vastmaken
jijzou vastmaken
hijzou vastmaken
wijzouden vastmaken
julliezouden vastmaken
zijzouden vastmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vastgemaakt hebben
jijzou vastgemaakt hebben
hijzou vastgemaakt hebben
wijzouden vastgemaakt hebben
julliezouden vastgemaakt hebben
zijzouden vastgemaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaak vast

Verbs similar to 'vastmaken'

Translations

  • affix, to attach
  • append, to hang or attach to, as by a string
  • attach, to fasten, to join to
  • bend, to tie a line
  • dog, to fasten a [[hatch]] securely
  • fasten, to attach or connect in a secure manner
  • fit, to attach
  • hitch, to attach
  • tether, to restrict something with a tether
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From vast + maken.

    Additional Information