afdringen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afdringen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afdringen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afdringend
Past participle - Verleden deelwoord: afgedrongen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdring af
jijdringt af
hijdringt af
wijdringen af
julliedringen af
zijdringen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgedrongen
jijhebt afgedrongen
hijheeft afgedrongen
wijhebben afgedrongen
julliehebben afgedrongen
zijhebben afgedrongen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdrong af
jijdrong af
hijdrong af
wijdrongen af
julliedrongen af
zijdrongen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgedrongen
jijhad afgedrongen
hijhad afgedrongen
wijhadden afgedrongen
julliehadden afgedrongen
zijhadden afgedrongen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afdringen
jijzult afdringen
hijzal afdringen
wijzullen afdringen
julliezullen afdringen
zijzullen afdringen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgedrongen hebben
jijzult afgedrongen hebben
hijzal afgedrongen hebben
wijzullen afgedrongen hebben
julliezullen afgedrongen hebben
zijzullen afgedrongen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afdringen
jijzou afdringen
hijzou afdringen
wijzouden afdringen
julliezouden afdringen
zijzouden afdringen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgedrongen hebben
jijzou afgedrongen hebben
hijzou afgedrongen hebben
wijzouden afgedrongen hebben
julliezouden afgedrongen hebben
zijzouden afgedrongen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdring af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch afdringen. Equivalent to af + dringen.

Additional Information