spruiten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spruiten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spruiten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spruitend
Past participle - Verleden deelwoord: gesproten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspruit
jijspruit
hijspruit
wijspruiten
julliespruiten
zijspruiten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesproten
jijhebt gesproten
hijheeft gesproten
wijhebben gesproten
julliehebben gesproten
zijhebben gesproten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksproot
jijsproot
hijsproot
wijsproten
julliesproten
zijsproten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesproten
jijhad gesproten
hijhad gesproten
wijhadden gesproten
julliehadden gesproten
zijhadden gesproten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spruiten
jijzult spruiten
hijzal spruiten
wijzullen spruiten
julliezullen spruiten
zijzullen spruiten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesproten hebben
jijzult gesproten hebben
hijzal gesproten hebben
wijzullen gesproten hebben
julliezullen gesproten hebben
zijzullen gesproten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spruiten
jijzou spruiten
hijzou spruiten
wijzouden spruiten
julliezouden spruiten
zijzouden spruiten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesproten hebben
jijzou gesproten hebben
hijzou gesproten hebben
wijzouden gesproten hebben
julliezouden gesproten hebben
zijzouden gesproten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspruit

Translations

  • grow, (''intransitive'') to appear or sprout
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    uitbotten
    uitlopen, uitschieten

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch spruten, from Old Dutch *sprūtan, from Proto-Germanic *sprūtaną, *spreutaną. See: Proto-Germanic '*sprūtaną'.

    Additional Information