opvatten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opvatten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opvatten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opvattend
Past participle - Verleden deelwoord: opgevat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvat op
jijvat op
hijvat op
wijvatten op
jullievatten op
zijvatten op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgevat
jijhebt opgevat
hijheeft opgevat
wijhebben opgevat
julliehebben opgevat
zijhebben opgevat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvatte op
jijvatte op
hijvatte op
wijvatten op
jullievatten op
zijvatten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgevat
jijhad opgevat
hijhad opgevat
wijhadden opgevat
julliehadden opgevat
zijhadden opgevat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opvatten
jijzult opvatten
hijzal opvatten
wijzullen opvatten
julliezullen opvatten
zijzullen opvatten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgevat hebben
jijzult opgevat hebben
hijzal opgevat hebben
wijzullen opgevat hebben
julliezullen opgevat hebben
zijzullen opgevat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opvatten
jijzou opvatten
hijzou opvatten
wijzouden opvatten
julliezouden opvatten
zijzouden opvatten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgevat hebben
jijzou opgevat hebben
hijzou opgevat hebben
wijzouden opgevat hebben
julliezouden opgevat hebben
zijzouden opgevat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvat op

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

opnemen
oppakken
beoordelen
beschouwen, interpreteren, uitleggen

Sample Sentences

Etymology

From op (“up”) + vatten (“to seize, grasp”). Compare German auffassen. See: German, old spelling 'auffassen'.

Verbs referencing "opvatten"

German, old spelling auffassen.

Additional Information