opbellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opbellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opbellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opbellend
Past participle - Verleden deelwoord: opbeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbel op
jijbelt op
hijbelt op
wijbellen op
julliebellen op
zijbellen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opbeld
jijhebt opbeld
hijheeft opbeld
wijhebben opbeld
julliehebben opbeld
zijhebben opbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelde op
jijbelde op
hijbelde op
wijbelden op
julliebelden op
zijbelden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opbeld
jijhad opbeld
hijhad opbeld
wijhadden opbeld
julliehadden opbeld
zijhadden opbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opbellen
jijzult opbellen
hijzal opbellen
wijzullen opbellen
julliezullen opbellen
zijzullen opbellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opbeld hebben
jijzult opbeld hebben
hijzal opbeld hebben
wijzullen opbeld hebben
julliezullen opbeld hebben
zijzullen opbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opbellen
jijzou opbellen
hijzou opbellen
wijzouden opbellen
julliezouden opbellen
zijzouden opbellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opbeld hebben
jijzou opbeld hebben
hijzou opbeld hebben
wijzouden opbeld hebben
julliezouden opbeld hebben
zijzouden opbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbel op

Translations

  • ring, to telephone (someone)
  • call, to contact by telephone
  • phone, to call (someone) on the telephone
  • telephone, to call someone
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bellen
    telefoneren

    Sample Sentences

    Etymology

    From op (“up”) + bellen (“to call, ring”).

    Additional Information