neerkomen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neerkomen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neerkomen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neerkomend
Past participle - Verleden deelwoord: neergekomen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkom neer
jijkomt neer
hijkomt neer
wijkomen neer
julliekomen neer
zijkomen neer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben neergekomen
jijbent neergekomen
hijis neergekomen
wijzijn neergekomen
julliezijn neergekomen
zijzijn neergekomen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwam neer
jijkwam neer
hijkwam neer
wijkwamen neer
julliekwamen neer
zijkwamen neer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas neergekomen
jijwas neergekomen
hijwas neergekomen
wijwaren neergekomen
julliewaren neergekomen
zijwaren neergekomen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neerkomen
jijzult neerkomen
hijzal neerkomen
wijzullen neerkomen
julliezullen neerkomen
zijzullen neerkomen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal neergekomen zijn
jijzult neergekomen zijn
hijzal neergekomen zijn
wijzullen neergekomen zijn
julliezullen neergekomen zijn
zijzullen neergekomen zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neerkomen
jijzou neerkomen
hijzou neerkomen
wijzouden neerkomen
julliezouden neerkomen
zijzouden neerkomen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou neergekomen zijn
jijzou neergekomen zijn
hijzou neergekomen zijn
wijzouden neergekomen zijn
julliezouden neergekomen zijn
zijzouden neergekomen zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijkom neer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

landen
neerstorten, terechtkomen, vallen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information