nakomen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nakomen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nakomen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nakomend
Past participle - Verleden deelwoord: nagekomen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkom na
jijkomt na
hijkomt na
wijkomen na
julliekomen na
zijkomen na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben nagekomen
jijbent nagekomen
hijis nagekomen
wijzijn nagekomen
julliezijn nagekomen
zijzijn nagekomen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwam na
jijkwam na
hijkwam na
wijkwamen na
julliekwamen na
zijkwamen na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas nagekomen
jijwas nagekomen
hijwas nagekomen
wijwaren nagekomen
julliewaren nagekomen
zijwaren nagekomen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nakomen
jijzult nakomen
hijzal nakomen
wijzullen nakomen
julliezullen nakomen
zijzullen nakomen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nagekomen zijn
jijzult nagekomen zijn
hijzal nagekomen zijn
wijzullen nagekomen zijn
julliezullen nagekomen zijn
zijzullen nagekomen zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nakomen
jijzou nakomen
hijzou nakomen
wijzouden nakomen
julliezouden nakomen
zijzouden nakomen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nagekomen zijn
jijzou nagekomen zijn
hijzou nagekomen zijn
wijzouden nagekomen zijn
julliezouden nagekomen zijn
zijzouden nagekomen zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijkom na

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch nacomen, from Old Dutch nākuman, from Proto-West Germanic *nāhwakweman. Equivalent to na + komen.

Verbs referencing "nakomen"

German, old spelling nachkommen.

Additional Information