Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: merken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: merkend
Past participle - Verleden deelwoord: gemerkt
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | merk |
| jij | merkt |
| hij | merkt |
| wij | merken |
| jullie | merken |
| zij | merken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gemerkt |
| jij | hebt gemerkt |
| hij | heeft gemerkt |
| wij | hebben gemerkt |
| jullie | hebben gemerkt |
| zij | hebben gemerkt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | merkte |
| jij | merkte |
| hij | merkte |
| wij | merkten |
| jullie | merkten |
| zij | merkten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gemerkt |
| jij | had gemerkt |
| hij | had gemerkt |
| wij | hadden gemerkt |
| jullie | hadden gemerkt |
| zij | hadden gemerkt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal merken |
| jij | zult merken |
| hij | zal merken |
| wij | zullen merken |
| jullie | zullen merken |
| zij | zullen merken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gemerkt hebben |
| jij | zult gemerkt hebben |
| hij | zal gemerkt hebben |
| wij | zullen gemerkt hebben |
| jullie | zullen gemerkt hebben |
| zij | zullen gemerkt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou merken |
| jij | zou merken |
| hij | zou merken |
| wij | zouden merken |
| jullie | zouden merken |
| zij | zouden merken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gemerkt hebben |
| jij | zou gemerkt hebben |
| hij | zou gemerkt hebben |
| wij | zouden gemerkt hebben |
| jullie | zouden gemerkt hebben |
| zij | zouden gemerkt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'merken'
aanboeken,
aaneenkoeken,
aangrinniken,
aanharken,
aanjanken,
aanjuichen,
aankalken,
aanlijken,
aanlonken,
aanmerken,
aanreiken,
aanstuiken,
aanvonken,
aanwenken,
aanwerken,
afchecken,
afdanken,
afharken,
afkalken,
afkicken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'merken'
kerken,
melken,
meren,
meuken,
werken,
bemerken,
bergen,
beuken,
dekken,
denken,
Translations
hallmark, to provide or stamp with a hallmark
notice, to remark upon
Sample Sentences
-
[...] kelder, dien ik goedvond mijn keuken te noemen, en het overige verborg ik hier en daar in holten tusschen de klippen, in dier voege, dat er geen nat bij komen kon, terwijl ik zorgvuldig de plaatsen merkte, waar ik het legde.
(Robinson Crusoe)
-
[...] of hoorde, en toen vertoonden zij zich weder, zoo als ik straks verhalen zal. Wel is het mogelijk, dat zij er in dien tijd eens of tweemaal geweest waren, maar dan kort en zonder dat ik er iets van gemerkt had, doch in de maand Mei, zoo ver ik berekenen kan, en in mijn vierentwintigste jaar, had ik eene zeer zonderlinge ontmoeting, die ik zoo aanstonds verhalen zal.
(Robinson Crusoe)
-
[...] toe hadden, het geheele eiland door; en daar nu onze bevrijding ons steeds voor den geest zweefde, was het ons, althans mij, onmogelijk niet telkens de middelen daartoe te overdenken. Te dien einde merkte ik verscheidene boomen, die ik voor ons werk geschikt achtte, en zette Vrijdag en zijn vader aan het vellen daarvan, en dan liet ik den Spanjaard, wien ik mijne gedachten daaromtrent mededeelde, hun [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] niet was; maar ik zag verbaasd op, toen ik, zeewaarts ziende, op ongeveer een half uur afstands, eene boot naar den wal zag zeilen, met eene gunstige koelte, zoodat zij spoedig moest aankomen. Ook merkte ik thans op, dat zij niet van dien kant kwam waar het vaste land lag, maar van het zuidelijkste einde van het eiland.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch merken, from Old Dutch merken, from Proto-West Germanic *markijan, from Proto-Germanic *markijaną. See: Proto-Germanic '
*markijaną'.
Verbs referencing "merken"
German, old spelling
merken, Luxembourgish
mierken, Danish
mærke.
Additional Information