beuken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beuken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beuken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beukend
Past participle - Verleden deelwoord: gebeukt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeuk
jijbeukt
hijbeukt
wijbeuken
julliebeuken
zijbeuken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebeukt
jijhebt gebeukt
hijheeft gebeukt
wijhebben gebeukt
julliehebben gebeukt
zijhebben gebeukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeukte
jijbeukte
hijbeukte
wijbeukten
julliebeukten
zijbeukten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebeukt
jijhad gebeukt
hijhad gebeukt
wijhadden gebeukt
julliehadden gebeukt
zijhadden gebeukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beuken
jijzult beuken
hijzal beuken
wijzullen beuken
julliezullen beuken
zijzullen beuken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebeukt hebben
jijzult gebeukt hebben
hijzal gebeukt hebben
wijzullen gebeukt hebben
julliezullen gebeukt hebben
zijzullen gebeukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beuken
jijzou beuken
hijzou beuken
wijzouden beuken
julliezouden beuken
zijzouden beuken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebeukt hebben
jijzou gebeukt hebben
hijzou gebeukt hebben
wijzouden gebeukt hebben
julliezouden gebeukt hebben
zijzouden gebeukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeuk

Translations

  • pound, to strike hard repeatedly
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bonken
    hameren, rammen, slaan

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch boken, bueken, perhaps related to pochen (“brag”), evolving from "defy" into "knock."

    Additional Information