meren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: merend
Past participle - Verleden deelwoord: gemeerd

Cognates

See the 2 cognates of meren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmeer
jijmeert
hijmeert
wijmeren
julliemeren
zijmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemeerd
jijhebt gemeerd
hijheeft gemeerd
wijhebben gemeerd
julliehebben gemeerd
zijhebben gemeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmeerde
jijmeerde
hijmeerde
wijmeerden
julliemeerden
zijmeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemeerd
jijhad gemeerd
hijhad gemeerd
wijhadden gemeerd
julliehadden gemeerd
zijhadden gemeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meren
jijzult meren
hijzal meren
wijzullen meren
julliezullen meren
zijzullen meren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemeerd hebben
jijzult gemeerd hebben
hijzal gemeerd hebben
wijzullen gemeerd hebben
julliezullen gemeerd hebben
zijzullen gemeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meren
jijzou meren
hijzou meren
wijzouden meren
julliezouden meren
zijzouden meren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemeerd hebben
jijzou gemeerd hebben
hijzou gemeerd hebben
wijzouden gemeerd hebben
julliezouden gemeerd hebben
zijzouden gemeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmeer

Translations

  • moor, to fix or secure, as a vessel, in a particular place by casting anchor, or by fastening with cables or chains
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanleggen
    afmeren

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch meren, from Old Dutch *mēron, from Proto-West Germanic *mairōn. Cognate with English moor. See: Old Dutch '*mēron', English 'moor'.

    Verbs referencing "meren"

    English moor.

    Additional Information