gelijklopen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gelijklopen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gelijklopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gelijklopend
Past participle - Verleden deelwoord: gelijkgelopen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikloop gelijk
jijloopt gelijk
hijloopt gelijk
wijlopen gelijk
jullielopen gelijk
zijlopen gelijk

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelijkgelopen
jijhebt gelijkgelopen
hijheeft gelijkgelopen
wijhebben gelijkgelopen
julliehebben gelijkgelopen
zijhebben gelijkgelopen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikliep gelijk
jijliep gelijk
hijliep gelijk
wijliepen gelijk
jullieliepen gelijk
zijliepen gelijk

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelijkgelopen
jijhad gelijkgelopen
hijhad gelijkgelopen
wijhadden gelijkgelopen
julliehadden gelijkgelopen
zijhadden gelijkgelopen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gelijklopen
jijzult gelijklopen
hijzal gelijklopen
wijzullen gelijklopen
julliezullen gelijklopen
zijzullen gelijklopen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelijkgelopen hebben
jijzult gelijkgelopen hebben
hijzal gelijkgelopen hebben
wijzullen gelijkgelopen hebben
julliezullen gelijkgelopen hebben
zijzullen gelijkgelopen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gelijklopen
jijzou gelijklopen
hijzou gelijklopen
wijzouden gelijklopen
julliezouden gelijklopen
zijzouden gelijklopen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelijkgelopen hebben
jijzou gelijkgelopen hebben
hijzou gelijkgelopen hebben
wijzouden gelijkgelopen hebben
julliezouden gelijkgelopen hebben
zijzouden gelijkgelopen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijloop gelijk

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From gelijk (“equal”) + lopen (“to walk”).

Additional Information