ontlopen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontlopen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontlopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontlopend
Past participle - Verleden deelwoord: ontlopen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontloop
jijontloopt
hijontloopt
wijontlopen
jullieontlopen
zijontlopen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben ontlopen
jijbent ontlopen
hijis ontlopen
wijzijn ontlopen
julliezijn ontlopen
zijzijn ontlopen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontliep
jijontliep
hijontliep
wijontliepen
jullieontliepen
zijontliepen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas ontlopen
jijwas ontlopen
hijwas ontlopen
wijwaren ontlopen
julliewaren ontlopen
zijwaren ontlopen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontlopen
jijzult ontlopen
hijzal ontlopen
wijzullen ontlopen
julliezullen ontlopen
zijzullen ontlopen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontlopen zijn
jijzult ontlopen zijn
hijzal ontlopen zijn
wijzullen ontlopen zijn
julliezullen ontlopen zijn
zijzullen ontlopen zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontlopen
jijzou ontlopen
hijzou ontlopen
wijzouden ontlopen
julliezouden ontlopen
zijzouden ontlopen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontlopen zijn
jijzou ontlopen zijn
hijzou ontlopen zijn
wijzouden ontlopen zijn
julliezouden ontlopen zijn
zijzouden ontlopen zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijontloop

Translations

  • flee, to escape from
  • outrun, run faster
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    mijden
    ontkomen
    uiteenlopen
    verschillen

    Antonyms

    uiteenlopen
    samenvallen

    Sample Sentences

    Etymology

    From ont- + lopen.

    Additional Information